ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2814
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bruto onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering door UWV
Appellante ontving vanaf maart 2005 een Ziektewet-uitkering van het UWV. In april 2006 stelde het UWV bij herberekening vast dat er een bedrag van €31,80 te weinig was uitbetaald, maar betaalde in plaats daarvan bruto €9.297,28 uit. Vervolgens vorderde het UWV bij besluit van juli 2006 bruto €9.265,48 terug als onverschuldigd betaald.
Appellante stelde bezwaar in, onder meer dat rekening had moeten worden gehouden met twee maanden zonder uitkering en dat alleen netto teruggevorderd had mogen worden, omdat haar geen verwijt treft. De rechtbank verwierp deze bezwaren en oordeelde dat het UWV op grond van artikel 33 ZW Pro verplicht is onverschuldigde betalingen terug te vorderen, tenzij er dringende redenen zijn, welke niet zijn gesteld.
In hoger beroep bevestigt de Raad de uitspraak van de rechtbank. De Raad acht bewezen dat de bruto betaling onverschuldigd was en dat het UWV terecht heeft teruggevorderd. De omissie van het UWV vormt geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Ook is niet gebleken dat appellante daadwerkelijk twee maanden geen uitkering ontving.
De Raad concludeert dat de terugvordering over een fiscaal afgesloten tijdvak plaatsvindt en dat het UWV op goede gronden het bruto bedrag heeft teruggevorderd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het bruto onverschuldigd betaalde bedrag door het UWV.