ECLI:NL:CRVB:2012:BY6817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens detentie en onvoldoende gewerkte weken
Appellant was van 23 maart tot 5 juli 2010 gedetineerd en werkte daarvoor op basis van een detacheringsovereenkomst. Hij vroeg op 21 juli 2010 een WW-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat hij op de eerste werkloosheidsdag (23 maart 2010) gedetineerd was en in de 36 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag niet ten minste 26 weken had gewerkt. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees de bezwaren van appellant af.
In hoger beroep stelde appellant dat de detentieperiode als onbetaald verlof moest worden aangemerkt, waardoor de referteperiode verlengd zou moeten worden, en dat de uitbetalingen van vakantiebijslag en loon aan meerdere weken toegerekend moesten worden. De Raad oordeelde dat detentie niet gelijkgesteld kan worden aan onbetaald verlof en dat de betalingen niet tot meer gewerkte weken leiden.
De Raad vernietigde het vonnis voor zover de rechtbank niet had beslist over het onbesproken gebleven bezwaar over onbetaald verlof, maar bevestigde het oordeel dat appellant niet voldeed aan de wekeneis en dat 5 juli 2010 de eerste werkloosheidsdag was. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de kosten van appellant.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt afgewezen omdat appellant tijdens detentie geen recht had op uitkering en niet voldeed aan de wekeneis van 26 gewerkte weken.