ECLI:NL:CRVB:2012:BY7073
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Recht op WW-uitkering vanaf datum ontbindingsbeschikking arbeidsovereenkomst
Betrokkene was sinds 1 maart 2004 in dienst van een werkgever en sloot op 26 maart 2009 een vaststellingsovereenkomst waarin afspraken werden gemaakt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een vergoeding. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst formeel met ingang van 1 mei 2009. Betrokkene vroeg een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) aanvankelijk werd geweigerd tot en met 31 mei 2009.
Betrokkene maakte bezwaar en ging in beroep tegen het besluit. De rechtbank oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet door de vaststellingsovereenkomst was geëindigd, maar door de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter per 1 mei 2009, en kende daarom de WW-uitkering toe vanaf die datum.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat partijen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst primair via de ontbinding door de kantonrechter wilden regelen, en dat bepalingen in de vaststellingsovereenkomst slechts voor het geval de ontbinding niet per 1 mei 2009 zou ingaan waren opgenomen. Betrokkene heeft vanaf 1 juni 2009 geen recht meer op WW-uitkering vanwege werkhervatting. De Raad wees het hoger beroep van appellant af en legde griffierecht op.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst eindigde door ontbinding per 1 mei 2009, waardoor betrokkene recht heeft op WW-uitkering vanaf die datum.