Uitspraak
1 februari 2012, 11/6099 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving van 1997 tot 2010 bijstand als alleenstaande, waarbij hij het college steeds informeerde dat hij in ’s-Gravenhage woonde. Na een anonieme melding startte het college een onderzoek dat uitwees dat appellant langdurig in de Verenigde Staten verbleef, daar woningen bezat en werkte, zonder dit aan het college te melden.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat onduidelijkheid bestond over de woon- en financiële situatie van appellant, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat het onderzoeksrapport onvoldoende onderbouwd was, dat de intrekking onterecht was over de gehele periode, dat zijn psychische gesteldheid hem verhinderde informatie te verstrekken en dat het college het vertrouwensbeginsel had geschonden. De Raad verwierp deze gronden, oordeelde dat appellant onvoldoende informatie had verstrekt over zijn verblijf en vermogen in het buitenland, en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De Raad benadrukte dat appellant de wettelijke inlichtingenplicht had geschonden en dat zijn beroep op medische omstandigheden onvoldoende was onderbouwd. Ook was er geen sprake van een gerechtvaardigde verwachting dat de verleende bijstand onaantastbaar was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens onvoldoende informatie over verblijf en vermogen in het buitenland.