Appellant en [V.K.] hebben samen een kind en [V.K.] ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande. Na onderzoek bleek dat zij mogelijk een gezamenlijke huishouding voerden, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand. Het college stelde appellant hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van bijstand die volgens hen onterecht was verleend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en bepaalde dat het college een nieuw besluit moest nemen, waarbij het bedrag van de terugvordering werd beperkt tot bepaalde periodes. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat appellant en [V.K.] over de gehele periode een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor terugvordering over een deel van de periode niet gegrond was.
De Raad vernietigde het besluit van 19 juli 2012 omdat het college niet had toegelicht hoe het teruggevorderde bedrag was berekend. Het college werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, waarbij alleen de periode vanaf 1 januari 2007 in aanmerking komt voor terugvordering. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.