ECLI:NL:CRVB:2013:1045
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging passendheid aangeboden arbeid en beëindiging WW-uitkering
Appellante ontving vanaf 1 juni 2010 een WW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering met ingang van 18 oktober 2010 omdat appellante passende arbeid had nagelaten te aanvaarden. Het UWV baseerde dit op een concreet aanbod van een vacature bij een werkgever en een bedrijfsbezoek van appellante.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er geen medische redenen waren om het werk als niet passend aan te merken, mede gelet op een verklaring van de huisarts waaruit bleek dat geen objectieve huisstofmijtallergie was vastgesteld. Appellante herhaalde in hoger beroep haar stelling dat de arbeid niet passend was, verwijzend naar dezelfde huisartsverklaring.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellante geen nadere onderbouwing gaf voor haar stelling. De Raad concludeerde dat het beroep niet slaagt en bevestigde de beëindiging van de WW-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht beëindigd omdat de aangeboden arbeid passend was en niet is aanvaard.