Uitspraak
OVERWEGINGEN
- bevestigt de aangevallen uitspraak 1;
- vernietigt de aangevallen uitspraak 2;
- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.832,-;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen een persoonsgebonden budget (PGB) voor hun minderjarige zoon en vroegen bijstand aan volgens de norm voor gehuwden. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen kende bijstand toe, waarbij het PGB als inkomen werd beschouwd en op de bijstand in mindering werd gebracht omdat appellanten niet konden aantonen dat het PGB daadwerkelijk aan zorg was besteed.
Het college herzag later de bijstand over een eerdere periode en vorderde een bedrag terug wegens niet verrekende PGB-inkomsten. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat het PGB niet aan zorg was besteed, maar aan derden (studenten) was betaald en dat het Zorgkantoor het PGB zou terugvorderen.
De Raad oordeelde dat appellanten feitelijk over het PGB beschikten en dit als inkomen moest worden aangemerkt. De verrekening op de bijstand was terecht. De terugvordering van onverschuldigde bijstand was echter onjuist gebaseerd op herzieningsregels, omdat er geen wijziging van omstandigheden was, maar een administratieve vergissing. De Raad vernietigde daarom het besluit tot terugvordering, maar liet de terugvordering op grond van een andere wettelijke grondslag in stand.
Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellante en moest het betaalde griffierecht vergoeden. De uitspraak bevestigde de verrekening van het PGB als inkomen, maar corrigeerde de procedurele grondslag van de terugvordering.
Uitkomst: Het PGB wordt als inkomen in mindering gebracht op de bijstand, maar de terugvordering van onverschuldigde bijstand wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag.