ECLI:NL:CRVB:2016:325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-naleving inlichtingenplicht PGB-gelden
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en woonde met haar vijf kinderen, waaronder een verstandelijk gehandicapt kind (D) waarvoor een persoonsgebonden budget (PGB) werd toegekend. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de Sociale Recherche een onderzoek naar de besteding van de PGB-gelden, die werden gestort op een en/of-bankrekening op naam van appellante en D. Appellante heeft geen informatie verstrekt over deze rekening en de besteding van de gelden, ondanks verzoeken van het college.
Het college trok de bijstand in met terugwerkende kracht en vorderde de kosten terug. Appellante stelde beroep in, maar de rechtbank verklaarde dit niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De Raad oordeelde echter dat het college geen deugdelijke verzendadministratie had aangetoond, waardoor het beroep tijdig was ingesteld.
Inhoudelijk oordeelde de Raad dat appellante niet had voldaan aan haar inlichtingenplicht, aangezien zij geen bankafschriften of verantwoording over de PGB-gelden had verstrekt. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en was intrekking en terugvordering terecht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand gehandhaafd wegens niet-naleving van de inlichtingenplicht.