ECLI:NL:CRVB:2008:BG1808
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens studiefinanciering als voorliggende voorziening
Appellante ontving bijstand sinds 2000, die in 2004 werd ingetrokken. Na een eerdere uitspraak van de rechtbank werd het College opgedragen het besluit te heroverwegen. Bij het nieuwe besluit van september 2006 werd de bijstand beëindigd per 1 september 2005, omdat appellante vanaf die datum studiefinanciering ontving.
Appellante voerde aan dat zij geen recht had op studiefinanciering en deze moest terugbetalen, waardoor zij geen passende voorliggende voorziening had. De Raad oordeelde dat studiefinanciering, gezien haar aard en doel, als een passende en toereikende voorliggende voorziening geldt, ook al moet zij het bedrag terugbetalen. Het feit dat zij feitelijk over middelen beschikte, is doorslaggevend.
Verder stelde appellante dat zij niet voldoende gelegenheid had gekregen om zich uit te laten over de beëindiging van de bijstand, maar de Raad verwierp dit omdat haar raadsman al eerder bezwaar had gemaakt en het College daarop had gereageerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 1 september 2005 wordt bevestigd omdat studiefinanciering als passende en toereikende voorliggende voorziening geldt.