Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar de gemeente Breda stelde na onderzoek vast dat zij samenwoonde met M. op het uitkeringsadres zonder dit te melden. De bijstand werd over de periode van 19 juli tot 2 december 2010 herzien en teruggevorderd, met een maatregel van verlaging opgelegd.
De rechtbank vernietigde het besluit deels vanwege onvoldoende bewijs voor wederzijdse zorg in de eerste periode, maar erkende het hoofdverblijf op het uitkeringsadres. In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat M. niet op het adres verbleef, wat de Raad verwierp op basis van gedegen onderzoeksrapporten, verklaringen en waarnemingen.
De Raad bevestigde dat er sprake was van gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg, ook al was de zorg van M. omvangrijker. Het besluit van 23 januari 2012, waarin de bijstand deels werd herzien, werd eveneens bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.