ECLI:NL:CRVB:2013:1287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep en schadevergoeding bij onrechtmatig WWB-besluit
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd door het college ontheven van arbeidsverplichtingen voor een bepaalde periode. Na bezwaar en een psychodiagnostisch onderzoek verlengde het college deze ontheffing en legde een verplichting tot psychotherapie op. De rechtbank vernietigde dit besluit en beval een nieuw besluit en heropening van het onderzoek naar schadevergoeding.
Het college legde een aangepaste arbeidsverplichting op, waarna appellant een schadevergoeding vorderde wegens psychische en materiële schade die hij toeschreef aan het onrechtmatige besluit. De rechtbank wees deze vordering af wegens het ontbreken van een causaal verband tussen het besluit en de psychische klachten.
In hoger beroep betwistte appellant dit en stelde dat zijn klachten door het college waren veroorzaakt en verergerd. Het college stelde primair niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep wegens het niet tijdig indienen van beroepsgronden door de advocaat en subsidiair het ontbreken van causaliteit.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk is omdat appellant zelf tijdig gronden had ingediend en dat de niet-aangetekende brieven aan de advocaat niet voldeden aan de voorwaarden voor niet-ontvankelijkverklaring. Verder concludeerde de Raad dat de psychische klachten van appellant al bestonden vóór het onrechtmatige besluit en dat onvoldoende is aangetoond dat het besluit tot verergering heeft geleid.
De Raad bevestigde de afwijzing van de schadevergoeding en wees ook de vergoeding van kosten van bijstand en rechtsbijstand af. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband.