ECLI:NL:CRVB:2013:1339

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 augustus 2013
Publicatiedatum
7 augustus 2013
Zaaknummer
12-3797 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Regeling GelijkstellingArt. 34 WWToeslagenwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging mindering overbruggingspensioen op WW-uitkering

Appellant ontving een overbruggingspensioen vanaf 1 november 2010 tot 1 november 2014 en had daarnaast recht op een WW-uitkering vanaf 19 september 2011. Het UWV bracht het overbruggingspensioen volledig in mindering op de WW-uitkering. Appellant maakte bezwaar tegen deze verrekening, stellende dat het overbruggingspensioen een compensatie is voor verlies van arbeidsuren en dat de verrekening tot een onredelijke uitkomst leidt.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het overbruggingspensioen als een ouderdomspensioen moet worden aangemerkt en derhalve terecht in mindering is gebracht op de WW-uitkering. De uitzonderingsbepaling van artikel 34, zevende lid, WW was volgens de rechtbank niet van toepassing.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelt dat de wettelijke tekst helder is en geen ruimte laat voor een andere uitleg. De rechter mag artikel 34 WW Pro niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen of een belangenafweging maken die de wetgever reeds heeft verricht. Indien het inkomen onder het sociaal minimum komt, kan appellant aanspraak maken op een uitkering op grond van de Toeslagenwet.

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het overbruggingspensioen wordt terecht in mindering gebracht op de WW-uitkering.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/3797 WW
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
12 juni 2012, 11/6000 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft J.R. Spruijt hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2013. Spruijt is voor appellant verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft tot en met 30 april 2004 voltijds gewerkt in dienst van [naam werkgever 1]. Op grond van deze dienstbetrekking is appellant met ingang van
1 november 2010 een zogenoemd overbruggingspensioen toegekend met als einddatum
1 november 2014, de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar zal worden.
1.2. In 2010 en 2011 heeft appellant gewerkt in dienst van [naam werkgever 2], laatstelijk tot en met 18 september 2011. Het Uwv heeft bij besluit van 5 oktober 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 19 september 2011 recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en tevens bepaald dat het overbruggingspensioen volledig op de WW-uitkering in mindering wordt gebracht.
1.3. Bij besluit van 23 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het in mindering brengen van het overbruggingspensioen op de WW-uitkering ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het overbruggingspensioen een periodieke uitkering die op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van de regeling Gelijkstelling van uitkeringen met ouderdomspensioen (Regeling Gelijkstelling) moet worden aangemerkt als een ouderdomspensioen in de zin van artikel 34, eerste lid, onder b, van de WW. Dat overbruggingspensioen is volgens de rechtbank terecht in mindering gebracht op de WW-uitkering van appellant. Over het zevende lid van artikel 34 van Pro de WW heeft de rechtbank overwogen dat deze uitzonderingsbepaling in dit geval niet van toepassing is. De wet biedt naar het oordeel van de rechtbank geen mogelijkheid om aan aftrek van het overbruggingspensioen in een geval als dat van appellant te ontkomen.
3.1.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. De WW-uitkering is gebaseerd op een werkweek van slechts 29,16 uur per week. Het overbruggingspensioen is volgens hem een compensatie voor het verlies van andere arbeidsuren. Appellant is van mening dat verrekening tot een onredelijke uitkomst leidt.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4.1.
De Raad verwijst voor het relevante wettelijk kader naar de overwegingen 2.1 tot en met 2.4 van de aangevallen uitspraak. Hij komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het overbruggingspensioen van appellant een periodieke uitkering is die op grond van het ten tijde hier van belang geldende artikel 1, aanhef en onder b, van de Regeling Gelijkstelling, gelezen in samenhang met artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, en achtste lid (oud), van de WW op zijn uitkering in mindering moet worden gebracht. De tekst van deze artikelen is helder en laat geen ruimte voor een andere uitleg dan die de rechtbank heeft gegeven.
4.3.
Het is de rechter niet toegestaan artikel 34 van Pro de WW te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en de rechter mag ook niet treden in een belangenafweging welke reeds door de wetgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht voor de hier aan de orde zijnde situatie dat voor het intreden van de werkloosheid één dienstbetrekking wordt vervuld en daarnaast een met een ouderdomspensioen gelijk te stellen uitkering wordt ontvangen. Voor zover in die situatie het in mindering brengen van de overbruggingsuitkering op het
WW-recht resulteert in een inkomen beneden het sociaal minimum, kan aanspraak worden gemaakt op een uitkering op grond van de Toeslagenwet, mits aan de in die wet gestelde voorwaarden wordt voldaan.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en
C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2013.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) H.J. Dekker

EH