ECLI:NL:CRVB:2013:1339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging mindering overbruggingspensioen op WW-uitkering
Appellant ontving een overbruggingspensioen vanaf 1 november 2010 tot 1 november 2014 en had daarnaast recht op een WW-uitkering vanaf 19 september 2011. Het UWV bracht het overbruggingspensioen volledig in mindering op de WW-uitkering. Appellant maakte bezwaar tegen deze verrekening, stellende dat het overbruggingspensioen een compensatie is voor verlies van arbeidsuren en dat de verrekening tot een onredelijke uitkomst leidt.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het overbruggingspensioen als een ouderdomspensioen moet worden aangemerkt en derhalve terecht in mindering is gebracht op de WW-uitkering. De uitzonderingsbepaling van artikel 34, zevende lid, WW was volgens de rechtbank niet van toepassing.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelt dat de wettelijke tekst helder is en geen ruimte laat voor een andere uitleg. De rechter mag artikel 34 WW Pro niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen of een belangenafweging maken die de wetgever reeds heeft verricht. Indien het inkomen onder het sociaal minimum komt, kan appellant aanspraak maken op een uitkering op grond van de Toeslagenwet.
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het overbruggingspensioen wordt terecht in mindering gebracht op de WW-uitkering.