ECLI:NL:CRVB:2013:1409
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over niet-duurzame arbeidsongeschiktheid en dagloonvaststelling
Appellant, voormalig uitzendkracht en productiemedewerker, viel uit wegens pijnklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van functionele mogelijkheden vast dat appellant niet met gangbare arbeid belast kon worden en kende een WGA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat het aantal dagloondagen onjuist was vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat er een kans op herstel bestaat. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat het rapport van de psychiater geen duurzame ongeschiktheid bevestigt. De Raad stelt vast dat volgens de wet onder duurzaam arbeidsongeschikt verstaan wordt dat herstelkansen gering zijn, wat hier niet is aangetoond.
Verder oordeelt de Raad dat het aantal dagloondagen correct is vastgesteld op 120, omdat feestdagen volgens het toepasselijke besluit niet worden uitgesloten. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.