ECLI:NL:CRVB:2013:1443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens overschrijding vermogensgrens en afwijzing bijzondere bijstand verhuiskosten
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij beschikte over twee bankrekeningen met tegoeden boven de vermogensgrens. Appellante weigerde aanvankelijk afschriften te overleggen, waarna het college de bijstand opschortte en later introk. Tevens werd een aanvraag voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten afgewezen wegens overschrijding van de vermogensgrens.
De rechtbank vernietigde deels het opschortingsbesluit en gaf het college gelegenheid om de motivering te verbeteren. Het college herzag het opschortingsbesluit en handhaafde de intrekking en afwijzing van bijzondere bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het opschortingsbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen de intrekking en afwijzing ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat de tegoeden niet haar, maar haar zoon toebehoren en dat zij niet kon beschikken over de rekeningen. De Raad oordeelde dat het bezit van de rekeningen op haar naam de vooronderstelling rechtvaardigt dat zij over de tegoeden kan beschikken. Appellante slaagde er niet in dit te weerleggen met objectiveerbare gegevens.
Verder faalden haar bezwaren tegen het niet toekennen van bijzondere bijstand en haar stelling dat niet op een aanvraag voor opslagkosten was beslist. Ook het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de procedure binnen vier jaar was afgerond.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor de opschorting, bevestigde de eerdere uitspraken en wees alle verzoeken tot schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard voor de opschorting en de intrekking van bijstand en afwijzing van bijzondere bijstand worden bevestigd.