Uitspraak
mr. A.J.G. Lindeman.
Centrale Raad van Beroep
Het UWV had het tijdvak waarin de werknemer recht had op loon tijdens ziekte verlengd, omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht. Deze verlenging, ook wel loonsanctie genoemd, was gebaseerd op het oordeel dat de werkgever al bij het uitvallen van de werknemer had moeten anticiperen op eerdere gewrichtsklachten en daardoor het tweede spoor had moeten starten.
De werkgever maakte bezwaar tegen dit besluit en het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat de re-integratie onvoldoende kritisch was gevolgd en dat de werkgever verantwoordelijk bleef voor de re-integratie.
In hoger beroep stelde de werkgever dat er geen reden was om het tweede spoor in november 2008 te starten, omdat de werknemer toen alleen heupklachten had met uitzicht op herstel na een operatie. Knieklachten ontstonden pas later en er was geen verband tussen de klachten. De Raad concludeerde dat het UWV onvoldoende had onderbouwd waarom de werkgever eerder het tweede spoor had moeten inzetten en dat het besluit niet op een deugdelijke grondslag berustte.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot verlenging van de loondoorbetalingsperiode wordt vernietigd wegens onvoldoende deugdelijke grondslag.