ECLI:NL:CRVB:2013:1628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg bij intrekking bijstand
Appellant ontving bijstand als alleenstaande ouder en woonde met zijn kinderen op een adres, waar appellante als meerderjarig pleegkind en later als partner ook verbleef. Ondanks inschrijving van appellante op een ander adres, heeft het college op basis van onderzoek, getuigenverklaringen en huisbezoek vastgesteld dat appellanten feitelijk samenwoonden en zorg droegen voor elkaar en hun kinderen.
Het college trok de bijstand van appellant in en vorderde de kosten terug, omdat appellanten hun gezamenlijke huishouding niet correct hadden gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat vanaf maart 2009 geen gezamenlijk hoofdverblijf bestond en geen wederzijdse zorg.
De Raad oordeelde dat het aanhouden van een ander inschrijfadres niet uitsluit dat sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf, mits feitelijke samenwoning aannemelijk is. De verklaringen van appellant, appellante, ouders en buren bevestigden dat appellanten feitelijk samenwoonden. Ook was er sprake van wederzijdse zorg en financiële verwevenheid die verder gaat dan een zakelijke relatie.
De Raad concludeerde dat het college terecht heeft gehandeld en bevestigde het bestreden vonnis. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en wederzijdse zorg droegen, waardoor het college terecht de bijstand introk en terugvorderde.