ECLI:NL:CRVB:2013:1702
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, terwijl appellant sinds 2008 op een ander adres stond ingeschreven. Uit onderzoek van de gemeente en sociale recherche bleek dat appellanten vanaf 4 januari 2010 feitelijk een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van appellante zonder dit aan het college te melden.
De Raad oordeelde dat het feitelijk samenwonen ondanks verschillende inschrijvingen in de GBA aannemelijk was, mede door verklaringen van appellanten zelf, getuigenverklaringen van buurtbewoners, en waarnemingen van parkeergedrag en aanwezigheid van appellant bij de woning van appellante. Het ontbreken van een huisbezoek werd niet als onvolledig onderzoek beschouwd.
Appellanten voerden aan dat het dossier onvolledig was en dat de aard van hun relatie en subjectieve beleving relevant waren, maar de Raad stelde dat de beoordeling van gezamenlijke huishouding op objectieve criteria berust en dat het dossier toereikend was. De Raad bevestigde de intrekking van de bijstand, de terugvordering en de hoofdelijke aansprakelijkstelling voor de periode vanaf 4 januari 2010.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 september 2011 werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd.