ECLI:NL:CRVB:2013:1754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit toekenning huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om haar op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 300 minuten huishoudelijke verzorging per week toe te kennen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het besluit gebaseerd was op een zorgvuldig medisch onderzoek, waarbij onder meer een 'Algemene rapportage' van een Wmo-adviseur was gebruikt. Appellante voerde aan dat deze rapportage mede was gebaseerd op oudere medische gegevens uit 2002 en 2005, en dat haar medische situatie ernstiger was dan aangenomen. Ook stelde zij dat het college niet had gemotiveerd waarom zij minder zorg kreeg dan onder de AWBZ.
De Raad overwoog dat de rapportage zorgvuldig was opgesteld en dat de oudere medische gegevens relevant waren omdat de klachten niet waren gewijzigd. Er was geen bewijs dat de gezondheidssituatie onjuist was vastgesteld. De Raad verwierp het standpunt over een progressieve spierziekte en achtte de verklaringen van huishoudelijke hulpen onvoldoende om het besluit te wijzigen. Ook is geen verplichting tot motiveren van minder zorg dan onder de AWBZ. Het college handelde conform de normtijden in het beleidskader en er waren geen onredelijkheden of bijzondere omstandigheden.
Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van 300 minuten huishoudelijke verzorging per week is bevestigd.