ECLI:NL:CRVB:2013:1778
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens werkzaamheden als zelfstandige
Appellant ontving vanaf 1 september 2003 een WW-uitkering met een vrijlating van 10 uur per week vanwege nevenwerkzaamheden als zelfstandige sinds 1996. Na informatie van de Belastingdienst over zelfstandigenaftrek in 2009 startte het Uwv een onderzoek, leidend tot intrekking van de uitkering en terugvordering van ruim €140.000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde het arbeidsurenverlies op 1 april 2003.
In hoger beroep herzag het Uwv het besluit op basis van een nieuwe ZZP-handleiding, stelde het arbeidsurenverlies vast op 28 april 2003, verhoogde de vrijlating naar 20 uur per week en verlaagde de terugvordering tot circa €85.000. Appellant betwistte dit en stelde dat het arbeidsurenverlies pas op 1 juni 2003 intreedt en de vrijlating 39,4 uur zou moeten zijn.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door indirecte uren niet op te geven en bevestigde het tijdstip van 28 april 2003 als intreden arbeidsurenverlies. De vrijlating van 20 uur per week werd als aanvaardbaar beschouwd, evenals de schatting van 40 uur zelfstandige werkzaamheden vanaf 1 september 2003. De Raad vernietigde eerdere besluiten en verklaarde het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen wegens exclusiviteit van proceskostenregeling. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het herzien besluit van het Uwv wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.