ECLI:NL:CRVB:2013:1911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verhoging WAO-uitkering wegens onvoldoende hulpbehoevendheid
Appellante, die sinds 1977 een WAO-uitkering ontvangt, verzocht het UWV om een verhoging van haar uitkering op grond van artikel 22 van Pro de WAO vanwege hulpbehoevendheid na een operatie in oktober 2010. Het UWV wees dit verzoek af op basis van een medisch onderzoek waaruit bleek dat appellante niet in een blijvende toestand verkeert die geregeld oppassing en verzorging vereist.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij zich baseerde op de beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid en eerdere jurisprudentie. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel hulpbehoevend is, maar geen gebruik maakt van de beschikbare hulp, en dat dit haar recht op verhoging niet mag belemmeren.
De Raad oordeelde dat appellante niet voldoet aan de criteria van artikel 22 WAO Pro en de beleidsregel, omdat er geen medische noodzaak is voor geregeld toezicht of oppas. De situatie van appellante wijkt af van eerdere vergelijkbare zaken waarbij wel een verhoging werd toegekend. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot afwijzing van de verhoging van de WAO-uitkering wordt bevestigd.