ECLI:NL:CRVB:2013:1920
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellant verrichtte werkzaamheden als financieel adviseur bij een BV en ontving tussentijds WW-uitkeringen. Het UWV stelde vast dat appellant tijdens de WW-periodes werkzaamheden bleef verrichten en niet volledig hierover had geïnformeerd, waardoor het recht op WW-uitkering werd betwist.
Het UWV trok de WW-uitkering in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden. In hoger beroep stelde appellant dat hij fulltime had gewerkt en dat het UWV onjuiste aannames had gedaan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV niet kon aantonen dat appellant geen werkloosheid kende vanwege doorlopende werkzaamheden, maar volgde het subsidiaire standpunt dat intrekking op grond van niet-nakoming van de inlichtingenplicht gerechtvaardigd was. Terugvordering was verplicht en er waren geen dringende redenen om daarvan af te zien. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht.