ECLI:NL:CRVB:2013:1921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen echtgenoot en BV voor WW-uitkering
Appellant was van 1 oktober 2009 tot en met 31 maart 2010 werkzaam als financieel adviseur voor een BV, waarbij zijn echtgenote enig aandeelhouder was van de holding die alle aandelen van de BV bezit. Na afloop van zijn werkzaamheden vroeg appellant een WW-uitkering aan, welke door het UWV werd afgewezen wegens het ontbreken van een gezagsverhouding en onregelmatige loonbetalingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij onder omstandigheden werkte zoals een vergelijkbare buitenstaander, mede vanwege de vertraagde en gefaseerde loonbetalingen en het ontbreken van aanwijzingen van werkgeversgezag.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt en verwees naar eerdere WW-uitkeringen en een brief van het GAK uit 1994. De Raad oordeelde dat het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen echtgenoten in de regel niet aannemelijk is vanwege het ontbreken van gezagsverhouding, tenzij de omstandigheden dit duidelijk aantonen.
De Raad concludeerde dat appellant geen privaatrechtelijke dienstbetrekking had, mede door de verwevenheid van zakelijke en privébelangen, onregelmatige loonbetalingen en het feit dat appellant ook werkzaamheden verrichtte tijdens zijn WW-uitkering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat eerdere besluiten niet zien op de relevante periode.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het beroep van appellant af.
Uitkomst: Appellant wordt niet aangemerkt als werknemer in de zin van de WW en zijn aanvraag voor een WW-uitkering wordt afgewezen.