ECLI:NL:CRVB:2013:1929
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkeringsaanvraag wegens te late indiening en ontbreken duidelijke samenhang met faillissement werkgever
Appellant diende een aanvraag in bij het UWV voor een WW-uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet. Het UWV wees de aanvraag af omdat deze te laat was ingediend. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond en oordeelde dat er geen duidelijke samenhang bestond tussen het faillissement van de werkgever en het einde van de dienstbetrekking, die was veroorzaakt door langdurige arbeidsongeschiktheid.
In hoger beroep stelde appellant dat de werkgever al vanaf 2009 in financiële problemen verkeerde en dat er een kredietvoorwaarde was die betalingen aan ex-werknemers verbood. Het UWV en de Raad verwierpen dit omdat appellant dit niet had onderbouwd en geen tijdige en gerichte actie had ondernomen om zijn vorderingen op de werkgever te incasseren.
De Raad volgde de rechtbank in haar strikte uitleg van de eis van duidelijke samenhang en het vereiste van voortvarende actie. De aanvraag bleef terecht afgewezen en het verzoek om vergoeding van wettelijke rente werd eveneens afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WW-uitkering bevestigd.