ECLI:NL:CRVB:2013:BY8064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duidelijke samenhang bij beëindiging dienstverband en betalingsonmacht werkgever
Appellante was sinds 2002 in dienst van werkgeefster en tekende in januari 2010 een beëindigingsovereenkomst met ingang van 11 maart 2010. Werkgeefster werd op 22 juni 2010 failliet verklaard. Appellante vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen wegens het ontbreken van een duidelijke samenhang tussen het ontslag en de betalingsonmacht van werkgeefster.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat werkgeefster op het moment van ontslag niet in een blijvende betalingsonmacht verkeerde. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep. De Raad stelt dat de financiële situatie weliswaar slecht was, maar dat betalingen aan personeel en pensioenpremies tot na het ontslag werden voldaan, wat wijst op het ontbreken van volledige betalingsonmacht.
De eis van duidelijke samenhang tussen het einde van het dienstverband en de betalingsonmacht moet strikt worden uitgelegd. Het enkele feit dat de financiële situatie slecht was, is onvoldoende. Daarom is het besluit van het UWV om de WW-uitkering te weigeren terecht. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WW-uitkering bevestigd.