ECLI:NL:CRVB:2013:1933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij en appellant een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door dit niet te melden. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarbij werd overwogen dat het huisbezoek weliswaar zonder informed consent plaatsvond, maar de verklaringen toch bruikbaar waren. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat de verklaringen onder druk waren afgelegd en dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, waardoor geen gezamenlijke huishouding bestond.
De Raad oordeelde dat appellanten weliswaar enige druk ervaarden, maar dat er geen sprake was van ontoelaatbare druk en dat de verklaringen geldig zijn. Uit de feiten bleek dat appellanten zorg voor elkaar en voor elkaars kinderen droegen, wat voldoet aan het criterium van wederzijdse zorg. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.