ECLI:NL:CRVB:2013:1958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstand met terugwerkende kracht aan staatloze vreemdeling zonder bijzondere omstandigheden
Appellant, een staatloze vreemdeling afkomstig uit Turkije, diende meerdere aanvragen in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college wees de aanvragen af omdat appellant niet de Nederlandse nationaliteit had en niet gelijkgesteld kon worden. Na verlening van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 14 juli 2006, vroeg appellant alsnog bijstand met terugwerkende kracht aan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college terecht de aanvraag voor bijstand over de periode van 14 juli 2006 tot 8 juli 2010 heeft afgewezen, omdat appellant geen nieuwe feiten of bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die het college hadden moeten bewegen bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. De Raad benadrukt dat het enkele feit van een met terugwerkende kracht verleende verblijfsvergunning onvoldoende is om bijstand toe te kennen zonder aannemelijk te maken dat appellant niet in zijn noodzakelijke bestaanskosten kon voorzien.
De Raad bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank Zutphen en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van bijstand met terugwerkende kracht wordt bevestigd.