ECLI:NL:CRVB:2013:1961

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2013
Publicatiedatum
8 oktober 2013
Zaaknummer
11-7430 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang bij bijstandsontheffing

Appellant en zijn echtgenote ontvangen sinds 1995 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage verleende bij besluit van 17 februari 2011, gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2011, gedeeltelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen aan de echtgenote van appellant.

Appellant stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep ongegrond. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de zitting verklaarde de gemachtigde van appellant dat er geen procesbelang meer bestaat bij het hoger beroep.

De Raad toetste het procesbelang aan de vaste rechtspraak en concludeerde dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 oktober 2013.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

11/7430 WWB
Datum uitspraak: 8 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 november 2011, 11/6104 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2013. Voor appellant is verschenen mr. Kuijper. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is gehuwd met D. [naam echtgenote] ([naam echtgenote]). Zij ontvangen sinds 18 januari 1995 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 17 februari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2011 (bestreden besluit), heeft het college [naam echtgenote] tot en met 15 februari 2012 gedeeltelijk ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 eerste Pro lid, van de WWB.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
4.
De Raad komt - ambtshalve - tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak (CRvB 1 juni 2010, LJN BM7208) is slechts sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
4.2.
Ter zitting heeft mr. Kuijper, desgevraagd, verklaard dat appellant geen procesbelang meer heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en P.W. van Straalen en
F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2013.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) M.R. Schuurman

HD