ECLI:NL:CRVB:2013:2000

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 oktober 2013
Publicatiedatum
9 oktober 2013
Zaaknummer
12-5706 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA)Ziektewet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante ontving een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) vanwege ziekmeldingen met knie-, rug- en hoofdpijnklachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde daarom haar ZW-uitkering per 9 mei 2011. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig en volledig was.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen. De Raad constateerde dat de bezwaarverzekeringsarts de klachten had meegewogen en getoetst aan de functie van assemblagemedewerker. De door appellante overgelegde medische informatie was niet relevant voor de datum van beoordeling.

De Centrale Raad van Beroep concludeert dat de beperkingen van appellante niet zodanig zijn dat zij de functie niet kan verrichten. Het hoger beroep is daarom ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een ZW-uitkering omdat zij geschikt is voor de functie van assemblagemedewerker.

Uitspraak

12/5706 ZW
Datum uitspraak: 9 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
27 september 2012, 11/1832 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Aksözek, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aksözek en door haar dochter[naam dochter]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 4 april 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat zij met ingang van 24 januari 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 27 augustus 2008 ongegrond verklaard. Appellante heeft hierin berust. Vanaf 24 januari 2008 heeft appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Vanuit de situatie waarin zij deze laatste uitkering ontving heeft zij zich enkele malen ziek gemeld, laatstelijk op 26 oktober 2010 met knie-, rug- en hoofdpijnklachten. In verband hiermee heeft zij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen.
1.2. Op 2 mei 2011 heeft appellante het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze heeft appellante ondanks de nog aanwezige klachten van het bewegingsapparaat weer geschikt geacht voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling in 2008 geduide functies. De verzekeringsarts heeft daarbij de functie van assemblagemedewerker A genoemd. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2011 de
ZW-uitkering van appellante met ingang van 9 mei 2011 beëindigd. Bij besluit van 27 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 mei 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 24 juni 2011 ten grondslag gelegd.
2.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv terecht de geschiktheid van appellante voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies heeft getoetst. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van hun bevindingen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat zij appellante op het spreekuur hebben gezien, dossierstudie hebben verricht en informatie bij de behandelend sector hebben opgevraagd. Anders dan door appellante gesteld heeft de bezwaarverzekeringsarts de psychische klachten en de toegenomen rug- en knieklachten van appellante bij de beoordeling meegewogen. Ook heeft de bezwaarverzekeringsarts deze toegenomen klachten getoetst aan de belasting in de functie van assemblagemedewerker A. Dat appellante meer beperkt was dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen, heeft zij niet met medische stukken geobjectiveerd. De door appellante overgelegde informatie van de radioloog en de maag-, darm-, leverarts ziet niet op de datum in geding. Uit het door haar overgelegde overzicht van haar medicijngebruik blijkt niet dat appellante op de datum in geding medicatie gebruikte die haar reactiesnelheid kon beïnvloeden. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat niet gebleken is dat de beperkingen van appellante op 9 mei 2011 zodanig waren dat zij de functie van assemblagemedewerker A niet kon verrichten en dat het Uwv terecht en op goede gronden besloten heeft appellante met ingang van 9 mei 2011 geen ZW-uitkering meer te verstrekken.
3.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep in essentie een herhaling van zetten vormt. Appellante heeft geen nieuwe gegevens overgelegd.
4.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid geheel. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) I.J. Penning

HD