ECLI:NL:CRVB:2013:2035
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en vernietiging afwijzing aanvraag bijstand
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde na onderzoek dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon, wat zij betwistte. Het college trok de bijstand in en wees een nieuwe aanvraag af. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Raad de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 28 mei 2008 tot 18 mei 2010, gelet op objectieve feiten zoals waarnemingen, telefoonverkeer, verklaringen van omwonenden en correspondentie.
De Raad oordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding omdat de betrokkenen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg voor elkaar droegen, onder meer door het delen van kosten en huishoudelijke zorg. De toekenning van bijstand vanaf 28 juli 2010 deed hieraan niet af.
Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag per 3 juni 2010 stelde de Raad vast dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de omstandigheden van appellante en daardoor het besluit tot afwijzing in strijd was met de zorgvuldigheidseis van de Awb. De Raad vernietigde dit besluit en bepaalde dat het college de bijstand over de periode 3 juni 2010 tot 28 juli 2010 moet verlenen.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De uitspraak is gedaan door drie leden van de Centrale Raad van Beroep en betreft een complexe beoordeling van het begrip gezamenlijke huishouding binnen het kader van de WWB.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd, maar de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd en de bijstand over de periode 3 juni 2010 tot 28 juli 2010 wordt toegekend.