ECLI:NL:CRVB:2013:2071

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 oktober 2013
Publicatiedatum
16 oktober 2013
Zaaknummer
11-6358 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:73 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit UWV over loongerelateerde WGA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 35-80%

Appellante was voorheen secretaresse en meldde zich arbeidsongeschikt met psychische klachten. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op 39,95% en kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Na bezwaar verhoogde het UWV de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid naar 49,95% met een bijbehorende vervolguitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek en de arbeidskundige beoordeling zorgvuldig waren uitgevoerd. De rechtbank verwierp ook het standpunt dat toelating tot de WSW recht zou geven op een hogere uitkering.

In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren over de medische onderbouwing en haar belastbaarheid, aangevoerd door haar psychotherapeut. De Raad oordeelde dat er geen nieuwe feiten waren die het eerdere oordeel konden wijzigen en dat de functies passend waren gelet op de medische beperkingen en arbeidskundige rapportage.

Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

11/6358 WIA, 11/6359 WIA
Datum uitspraak: 16 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
12 september 2011, 11/1113 en 11/1114 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J. Vaessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vaessen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als secretaresse voor 40 uren per week. Op 2 juni 2008 heeft zij zich arbeidsongeschikt gemeld met psychische klachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellante ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) 39,95% bedraagt. Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 31 mei 2010 tot 1 december 2010 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op 35 tot 80%. Bij besluit van 11 oktober 2010 is appellante met ingang van
1 december 2010 een WGA-vervolguitkering toegekend van € 396,47 bruto per maand.
1.2. Bij afzonderlijke besluiten van 18 februari 2011 (bestreden besluiten) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juli 2010 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2010 gegrond, aangezien haar verlies aan verdiencapaciteit moet worden gesteld op 49,95% met een daarbij behorende WGA-vervolguitkering van
€ 495,58 bruto per maand.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen geen aanleiding te zien om aan te nemen dat het medische onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om, gelet op alle beschikbare medische gegevens, het oordeel van deze artsen in twijfel te trekken. Inzake het standpunt van appellante dat haar verdiencapaciteit op nihil moet worden gesteld, omdat zij is aangewezen op arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW), heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, geoordeeld dat een toelating tot de doelgroep in het kader van de WSW geen rechtstreekse betekenis heeft voor de vraag of aanspraak bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De rechtbank heeft aldus geconcludeerd dat de bestreden besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de data 31 mei 2010 en 1 december 2010 niet op een ontoereikende dan wel onjuiste medische grondslag berusten.
2.2. Ten aanzien van het arbeidskundige aspect van de beoordeling heeft de rechtbank vastgesteld dat de bezwaararbeidsdeskundige uitvoerig en toereikend heeft gemotiveerd dat de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. Volgens de rechtbank blijkt uit het arbeidskundig onderzoek dat appellante met de functies waarop de schatting is gebaseerd een zodanig inkomen kan verdienen dat zij voor 49,95% arbeidsongeschikt in de
zin van de Wet WIA moet worden beschouwd. Het Uwv heeft appellante daarom met ingang van 31 mei 2010 terecht ingedeeld in de klasse van 35 tot 80% en haar vervolguitkering per
1 december 2010 terecht gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
2.3. Het verzoek van appellante om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, LJN BH1009, afgewezen.
3.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat zij het niet eens is met de medische grondslag van het bestreden besluit. Volgens appellante is zij vanwege haar psychische klachten, dan wel haar onconventionele manier van reageren onder stresserende omstandigheden, niet in staat om de haar geduide functies te verrichten. Daarbij heeft appellante ter zitting benadrukt dat het Uwv onvoldoende heeft onderzocht of zij met haar beperking op item 2.7 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) ook daadwerkelijk in reguliere arbeid kan functioneren. Appellante meent daarom aangewezen te zijn op arbeid in WSW-verband. Zij heeft erop gewezen dat haar behandelend psychotherapeut van mening is dat zij enige mate van ondersteuning nodig zal blijven hebben bij het functioneren op een werkplek en dat er bij haar sprake is van vertraging in het functioneren. Voorts heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de haar voorgehouden functies haar belastbaarheid overschrijden en deze overschrijdingen onvoldoende zijn gemotiveerd. Tot slot heeft appellante om schadevergoeding verzocht en desgevraagd ter zitting te kennen gegeven geen beroep meer te doen op overschrijding van de redelijke termijn.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Hetgeen appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit vormt een herhaling van wat reeds in beroep is aangevoerd. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. In dit verband wordt gewezen op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van
23 augustus 2013 waarin inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd wordt dat de stellingen van appellante geen aanleiding geven om het eerdere door het Uwv ingenomen standpunt te wijzigen. Daarnaast wordt erop gewezen dat de behandelend psychotherapeut in haar brief van 18 juli 2011 geen harde conclusies heeft getrokken met betrekking tot het sociaal functioneren van appellante. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht, die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, zoals weergegeven in de FML van 10 februari 2011. De Raad kan zich daarom vinden in de overwegingen van de rechtbank en het door haar daarop gebaseerde oordeel met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit.
4.2.
Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen wordt geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. Gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 februari 2011, waarbij in het bijzonder is ingegaan op de gevolgen van de aangepaste FML van 10 februari 2011 voor de geselecteerde functies, is de Raad van oordeel dat voldoende toelichting is gegeven op de passendheid van die functies.
5.
Uit hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.
6.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) M.P. Ketting

HD