ECLI:NL:CRVB:2013:2075

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 oktober 2013
Publicatiedatum
16 oktober 2013
Zaaknummer
12-322 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen per 27 december 2010, omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische gegevens ingebracht die twijfel zouden kunnen zaaien over de vastgestelde beperkingen. De Raad volgde de rechtbank en vond geen aanleiding voor een aanvullend psychiatrisch onderzoek. De verzekeringsartsen hadden de psychische klachten van appellante beoordeeld en rekening gehouden met de informatie van haar behandelend psychiater en huisarts.

Op basis van de beschikbare gegevens en rapporten was het voldoende onderbouwd dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd geschikt waren voor appellante. De mate van arbeidsongeschiktheid werd terecht vastgesteld op minder dan 35%, waardoor het beroep van appellante werd afgewezen en de eerdere uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.

Uitspraak

12/322 WIA
Datum uitspraak: 16 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
14 december 2011, 11/5977 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te[woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Samama. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet op
29 december 2008 ziek gemeld vanwege linkerbeenklachten en psychische klachten. Bij besluit van 23 februari 2011 heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van
29 december 2009 (lees: 2008) een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, aangezien geen sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens eenzelfde ziekteoorzaak als die waardoor zij eerder 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. Daarnaast heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 27 december 2010 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering, aangezien zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
1.2. Bij besluit van 1 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante wat betreft beide data ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 22 juni 2011 ten grondslag gelegd.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was er geen reden om het medische onderzoek onjuist of onzorgvuldig te achten. Ook was er geen reden om te oordelen dat de medische beperkingen van appellante niet juist zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijke psychiater in te schakelen, omdat appellante geen medische informatie heeft ingebracht die daartoe aanleiding geeft. Tot slot was de rechtbank van oordeel dat door het Uwv afdoende was gemotiveerd dat de functie van inpakker koekjes de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.
3.
Appellante heeft - desgevraagd ter zitting - te kennen gegeven dat het hoger beroep alleen betrekking heeft op de datum in geding van 27 december 2010. Zij heeft verwezen naar de in de bezwaarprocedure en in beroep door haar naar voren gebrachte gronden. Deze komen er
- samengevat - op neer dat zij volledig arbeidsongeschikt is als gevolg van haar psychische beperkingen en dat zij de geduide functies niet kan verrichten, omdat de belasting daarvan te zwaar voor haar is.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel over de aangevoerde beroepsgronden. Net zo min als in beroep heeft appellante in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid, zoals die zijn neergelegd in de FML. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben in de psychische klachten van appellante aanleiding gezien haar beperkt te achten in haar persoonlijk en sociaal functioneren en zij hebben ook te kennen gegeven dat appellante
ʼs avonds en ʼs nachts niet kan werken. De verzekeringsartsen hebben bij de bepaling van de beperkingen van appellante de informatie betrokken van de behandelend psychiater van appellante van 18 juni 2009 en van de huisarts van 31 mei 2011. Daarbij heeft meegewogen dat herhaald verzoek om nadere informatie bij de behandelend psychiater van appellante onbeantwoord bleef.
4.2.
Appellante heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen voor een nader psychiatrisch onderzoek. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 is daarvoor geen aanleiding.
4.3.
Op grond van het geheel van voorliggende gegevens van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, in samenhang met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten, is voldoende inzichtelijk en toetsbaar onderbouwd dat de als grondslag voor de schatting in aanmerking genomen functies ook werkelijk geschikt zijn te achten voor appellante. Op basis van het rapport van de arbeidsdeskundige is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 27 december 2010 terecht vastgesteld naar de klasse van minder dan 35%.
5.
Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) M.P. Ketting

HD