ECLI:NL:CRVB:2013:2077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellant, die sinds 1996 arbeidsongeschikt is wegens rugklachten, vroeg het UWV om een WAO-uitkering per 1 juli 2003 met toepassing van een verkorte wachttijd vanwege vermeende toegenomen beperkingen. Het UWV weigerde dit omdat niet was gebleken van een onafgebroken toename van beperkingen gedurende vier weken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de rugklachten na een operatie in 2001 waren toegenomen, gesteund op een medisch rapport van neurochirurg Hattou. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende medisch onderzoek had verricht, waaronder een onderzoek door verzekeringsarts Miel en een dossierstudie door de bezwaarverzekeringsarts. Deze concludeerden dat er geen aantoonbare toename van beperkingen was en dat de klachten voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak.
De Raad vond geen aanleiding om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig te achten. Het niet inwinnen van aanvullende informatie bij behandelend artsen was niet onzorgvuldig, mede omdat appellant geen objectieve medische stukken had overgelegd die een toename van beperkingen aantoonden. De weigering van de WAO-uitkering per een datum vier weken na 1 juli 2003 was derhalve terecht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering per datum vier weken na 1 juli 2003 wordt bevestigd.