ECLI:NL:CRVB:2013:2090

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 oktober 2013
Publicatiedatum
16 oktober 2013
Zaaknummer
12-4927 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZWArt. 7 ZWArt. 8 ZWArt. 8a ZWArt. 20 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens ontbreken dienstbetrekking op 6 november 1991

Appellant verzocht het UWV om ziekengeld met ingang van 6 november 1991, maar dit werd geweigerd omdat hij niet verzekerd was voor de Ziektewet. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant op die datum niet in dienstbetrekking was en geen uitkering ontving op grond van de Ziektewet, Werkloosheidswet of Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt met verwijzing naar salarisafrekeningen en fiscale documenten uit 1991 en 1992, stellende dat deze gegevens onvoldoende zijn meegewogen. De Raad voor de Rechtspraak sloot zich echter aan bij de rechtbank en oordeelde dat de door appellant aangevoerde stukken geen voldoende aanknopingspunten bieden voor het aannemen van een dienstbetrekking op de datum in geschil.

De Raad benadrukte dat volgens vaste rechtspraak het risico van het niet volledig kunnen reconstrueren van situaties in het verleden bij appellant blijft, zeker bij late melding. Het hoger beroep werd daarom afgewezen. Tevens werd het verzoek tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 Awb Pro afgewezen en geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om ziekengeld wordt geweigerd wegens het ontbreken van een dienstbetrekking op 6 november 1991.

Uitspraak

12/4927 ZW
Datum uitspraak: 16 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
26 juli 2012, 12/1022 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. dr. G.P. Dayala, kantoorgenoot van mr. Mohamed Hoesein. Namens het Uwv is verschenen mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.
Bij besluit van 1 november 2011 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van
6 november 1991 ziekengeld te verstrekken op de grond dat hij op 6 november 1991 niet verzekerd was voor de Ziektewet (ZW). Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van
29 februari 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat appellant op
6 november 1991 niet in dienstbetrekking stond en dat hij geen uitkering ingevolge de ZW, de Werkloosheidswet dan wel de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontving, zodat hij, gelet op het bepaalde in de artikelen 3, 7, 8, 8a en 20 van de ZW, niet als werknemer en verzekerde in de zin van de ZW kan worden aangemerkt.
3.
In hoger beroep heeft appellant, met verwijzing naar de eerder in de gedingvoering overgelegde salarisafrekening 1992, fiscale aanslagen 1991 en 1992 en jaaropgaaf 1991, zijn standpunt herhaald dat onvoldoende acht is geslagen op deze gegevens.
4.
De Raad verenigt zich met de aangevallen uitspraak en de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. De gronden in hoger beroep zijn een herhaling van het door de rechtbank met juistheid verworpen standpunt dat de door appellant in geding gebrachte gegevens aanknopingspunten zouden bieden voor het aannemen van het (voort)bestaan van een dienstbetrekking op de datum in geding. De Raad voegt hieraan toe dat volgens zijn vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 22 mei 2013, LJN CA0842) de omstandigheid dat een situatie in het verleden als hier aan de orde door de late melding van appellant niet volledig te reconstrueren of te bewijzen is, voor risico van appellant dient te blijven. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5.
Omdat het hoger beroep niet slaagt, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
6.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) M.P. Ketting

QH