ECLI:NL:CRVB:2013:2120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontvangt sinds 2007 bijstand en werd onderzocht vanwege onduidelijke kasstortingen op haar bankrekeningen. Het college trok de bijstand over de periode mei 2007 tot april 2009 grotendeels in en vorderde terugbetaling wegens onvoldoende verifieerbare informatie over de herkomst van de stortingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep constateerde dat het bestuursorgaan niet was uitgenodigd voor de hoorzitting, wat in strijd is met artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb. Hierdoor werd het bestreden besluit vernietigd.
De Raad bevestigde dat de intrekking van bijstand over de meeste maanden terecht was, omdat appellante niet aan haar inlichtingenverplichting had voldaan. De terugvordering blijft echter afhankelijk van een nieuw besluit, omdat het oorspronkelijke besluit ondeelbaar is.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en bepaalde dat het college het betaalde griffierecht aan appellante moet terugbetalen. De uitspraak vervangt het eerdere besluit over de intrekking van bijstand in juli en augustus 2007.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens schending van hoor en wederhoor, de intrekking van bijstand bevestigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen over de terugvordering.