ECLI:NL:CRVB:2013:2142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens onvoldoende inlichtingen en terugvordering kosten
Appellante ontving sinds juli 2008 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een anonieme tip en onderzoek door de gemeente ’s-Gravenhage werd vastgesteld dat appellante werkzaamheden verrichtte in een café en dat haar bankafschriften geen pintransacties maar wel contante stortingen vertoonden. Appellante verklaarde financieel te worden ondersteund door haar moeder en dochter, maar kon geen verifieerbare gegevens overleggen over de omvang en herkomst van de bedragen.
Het college van burgemeester en wethouders beëindigde de bijstand per 1 januari 2011 en trok de bijstand over de periode 17 juli 2008 tot 31 december 2010 terug wegens het niet verstrekken van juiste en tijdige informatie. Tevens werd een bedrag van € 23.599,40 teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar werkzaamheden slechts hand- en spandiensten betroffen en dat de ontvangen bedragen van haar moeder en dochter kwamen. De Centrale Raad oordeelde echter dat appellante onvoldoende inzicht had verschaft in haar financiële situatie en dat de ontvangen bedragen als inkomen moesten worden beschouwd. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de bijstand te beëindigen en terug te vorderen op grond van de schending van de inlichtingenverplichting. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de terugvordering van kosten wegens onvoldoende inlichtingen van appellante.