ECLI:NL:CRVB:2013:2143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding ex-partners met kinderen
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en woonde met haar twee kinderen op een adres. Appellant, haar ex-partner en vader van de kinderen, stond aanvankelijk op een ander adres ingeschreven, maar volgens verklaringen van appellante en buurtbewoners woonde hij sinds 1 november 2006 feitelijk bij haar. Het college trok de bijstand in en vorderde bedragen terug wegens het niet melden van gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat appellant zijn hoofdverblijf bij appellante had. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante en buurtbewoners samen een toereikende grondslag boden om van gezamenlijke huishouding te spreken.
De Raad benadrukte dat het feitelijk samenwonen kan bestaan ondanks het aanhouden van verschillende adressen in de GBA. De verklaringen van buurtbewoners bevestigden het gezinsverband en het feitelijke samenwonen. Tegenbewijs van appellant werd als onvoldoende concreet en niet doorslaggevend beoordeeld.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen; intrekking en terugvordering bijstand bevestigd wegens gezamenlijke huishouding.