ECLI:NL:CRVB:2013:2224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf in gemeente Zaanstad
Appellant ontving vanaf april 2011 bijstand in de gemeente Zaanstad en stond ingeschreven op het adres van een daklozenopvang. Na een melding dat appellant de opvang had verlaten, bleek uit tiendagenformulieren dat hij slechts sporadisch in Zaanstad verbleef en vooral in andere gemeenten verbleef. Het college trok daarom de bijstand per 18 augustus 2011 in wegens het ontbreken van hoofdverblijf in Zaanstad.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het college ambtshalve had moeten onderzoeken of hij als adresloze toch in aanmerking kwam voor bijstand. De Raad oordeelde dat het college niet verplicht was dit te doen als vaststaat dat appellant geen hoofdverblijf in de gemeente had.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de voorzieningenrechter. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 oktober 2013.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het ontbreken van hoofdverblijf in de gemeente Zaanstad wordt bevestigd.