ECLI:NL:CRVB:2013:2229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstand en opschorting aflossingsverplichtingen wegens niet-levensvatbaar bedrijf
Appellant exploiteerde een eenmanszaak en vroeg bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Aanvankelijk werd bijstand toegekend op basis van een positief advies van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK). Later werd de aanvraag afgewezen omdat het bedrijf niet langer als levensvatbaar werd beschouwd.
De afwijzing en het besluit om geen opschorting van aflossingsverplichtingen te verlenen, waren gebaseerd op een nieuw advies van het IMK na vervolgonderzoek. Dit advies was zorgvuldig voorbereid en het dagelijks bestuur mocht hierop vertrouwen. De Raad concludeerde dat voldoende inzichtelijk was welke bepalingen van het Bbz 2004 waren toegepast en dat de beoordeling terecht gericht was op de levensvatbaarheid van het bedrijf en de mogelijkheid van appellant om aan zijn verplichtingen te voldoen.
Appellant voerde aan dat het eerdere positieve advies van het IMK niet was weerlegd, maar de Raad oordeelde dat de gewijzigde omstandigheden en het nieuwe advies dit rechtvaardigden. Appellant kon zijn verwachtingen onvoldoende onderbouwen met concrete gegevens. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijstand en opschorting van aflossingsverplichtingen wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf.