ECLI:NL:CRVB:2013:2235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant, die een verblijfsvergunning ontving in het kader van het generaal pardon, vroeg bijzondere bijstand aan voor de inrichting van zijn nieuwe zelfstandige woning. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat de kosten als algemene noodzakelijke bestaanskosten worden beschouwd die appellant uit eigen middelen moet kunnen betalen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat voor bijzondere bijstand vereist is dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden die het onmogelijk maken deze uit het inkomen of vermogen te voldoen.
Appellant kon niet aantonen dat er bijzondere omstandigheden waren, zoals een medische indicatie of urgentieverklaring. Het aanbod van de woning was voorzienbaar, en appellant had eerder woningen aangeboden gekregen die hij had afgeslagen, waardoor hij had kunnen reserveren voor de kosten. Ook de persoonlijke omstandigheden met betrekking tot zijn gezin in Frankrijk werden niet als bijzonder aangemerkt.
De Raad concludeerde dat de afwijzing terecht was en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt bevestigd wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.