ECLI:NL:CRVB:2013:2305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende bewijs inkomsten
Appellanten ontvingen bijstand van april 2003 tot maart 2010. Na een verkeerscontrole waarbij appellant als bijrijder in een bedrijfswagen werd aangetroffen, startte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Op basis van bankafschriften en observaties concludeerde het college dat appellanten meer uitgaven hadden dan hun bijstandsinkomen en stelde het een bedrag van bijna €37.000,- terugvordering vast.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de extra uitgaven deels gefinancierd waren met gespaard geld en kasstortingen, en dat zij zuinig leefden. De Raad oordeelde dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat de kasstortingen gespaard waren en dat zij hun inlichtingenverplichting hadden geschonden door niet alle inkomsten te melden.
Desondanks stelde de Raad vast dat het college onvoldoende bewijs had geleverd dat appellanten daadwerkelijk meer inkomsten hadden genoten dan uit de bankafschriften bleek. De enkele verklaring dat appellant een collega was van de chauffeur was onvoldoende, en de stelling dat appellante als kapster meer inkomsten had, was niet onderbouwd.
De Raad concludeerde dat het college ten onrechte had aangenomen dat het recht op bijstand niet vast te stellen was en dat de beëindiging van de bijstand daarom niet stand kon houden. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. Het college kreeg opdracht een nieuw besluit te nemen waarbij de kasstortingen als inkomen worden toegerekend aan de maanden van storting. Tot slot werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd en het college krijgt opdracht een nieuw besluit te nemen.