ECLI:NL:CRVB:2013:2393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens vermogen boven vrijlatingsgrens ondanks betwiste schulden
Appellant diende meerdere aanvragen in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), die door het college werden afgewezen wegens het beschikken over vermogen boven de vrijlatingsgrens. De rechtbank vernietigde deze besluiten deels en gaf het college opdracht opnieuw te beslissen, waarbij het vermogen van appellant werd vastgesteld zonder rekening te houden met bepaalde schulden.
In hoger beroep betwist appellant dat zijn schulden aan een stichting en aan een derde daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting vormen. De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze schulden bestaan met een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling. Ook het beleid van het college om een vast bedrag vrij te laten op de lopende rekening wordt als consistent beoordeeld.
De Raad stelt vast dat sprake is van verstrengeling tussen appellant en de stichting, waardoor het vermogen van de stichting als vermogen van appellant wordt aangemerkt. Het college heeft echter nagelaten onderzoek te doen naar schulden van de stichting, waardoor het besluit van 21 maart 2012 onzorgvuldig is voorbereid en vernietigd wordt. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Het beroep wordt verder afgewezen en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant vermogen boven de vrijlatingsgrens bezit, ondanks vernietiging van het besluit wegens onzorgvuldige voorbereiding.