Appellant was sinds juni 2010 in dienst van een werkgever die op 24 mei 2011 failliet werd verklaard. Na een ontslag op staande voet en diverse gerechtelijke procedures, diende appellant een aanvraag in voor een faillissementsuitkering bij het UWV. Het UWV stelde dat de betalingsonmacht van de werkgever pas op de faillissementsdatum was ingetreden en kende de uitkering toe vanaf die datum.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat de betalingsonmacht al eerder, namelijk op 1 februari 2011, was ingetreden. De rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond, stellende dat er tot de faillissementsdatum sprake was van betalingsonwil en niet van betalingsonmacht. De Raad oordeelt echter dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werkgever vanaf 1 februari 2011 niet meer betaalde, onderbouwd met diverse feiten zoals het niet betalen van loon, beslaglegging en het feit dat de bedrijfsvoering was gestaakt.
De Raad stelt dat het UWV had moeten onderzoeken wanneer de betalingsonmacht was ingetreden en dat het besluit daarom niet zorgvuldig was voorbereid. De Raad vernietigt het besluit en bepaalt zelf dat de betalingsonmacht op 1 februari 2011 is ingetreden, waardoor appellant recht heeft op een uitkering vanaf die datum. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en kosten.