Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:2497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 november 2013
Publicatiedatum
20 november 2013
Zaaknummer
12-4164 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8 WWArt. 20 WWArt. 22a WWArt. 35aa WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering wegens niet gemelde zelfstandige werkzaamheden

Appellante ontving vanaf januari 2008 een WW-uitkering die in november 2008 werd beëindigd wegens werkhervatting. Uit een belastingcontrole bleek dat zij in 2008 zelfstandigenaftrek had genoten, wat leidde tot een onderzoek door het UWV naar de rechtmatigheid van de uitkering. Het UWV herzag de uitkering met terugwerkende kracht vanaf februari 2008 en vorderde een bedrag van €12.335,60 terug. Tevens legde het UWV een boete van €1.240,- op wegens het niet melden van werkzaamheden als zelfstandige.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij geen inkomsten had uit haar zelfstandige werkzaamheden en dat het onredelijk was om haar uitkering te korten. Ook stelde zij dat het UWV onterecht geen rekening hield met haar culturele achtergrond en dat de beperking van 40 uur per week in strijd was met het EVRM.

De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door haar zelfstandige werkzaamheden niet te melden, ongeacht het ontbreken van inkomsten. De wettelijke bepalingen schrijven dwingend voor dat het UWV de uitkering herziet op basis van het aantal gewerkte uren. De Raad verwierp het beroep op het EVRM en de culturele achtergrond. De opgelegde boete werd als evenredig beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De herziening en terugvordering van de WW-uitkering en de opgelegde boete worden bevestigd.

Uitspraak

12/4164 WW
Datum uitspraak: 20 november 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 juni 2012, 12/40 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.A. Collet, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2013. Namens appellante is verschenen mr. Collet voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving vanaf 31 januari 2008 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren van 40 uur per week. Deze WW-uitkering is met ingang van 17 november 2008 wegens werkhervatting beëindigd. Uit een bestandvergelijking met de Belastingdienst is gebleken dat appellante over het belastingjaar 2008 zelfstandigenaftrek heeft genoten. Het Uwv heeft hierin aanleiding gezien tot het instellen van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante betaalde WW-uitkering. In dat kader is appellante gehoord en heeft zij op verzoek van het Uwv een opgave verstrekt van gewerkte uren als zelfstandige in haar onderneming [naam onderneming]. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een inspectierapport zelfstandigenaftrek van 7 juli 2011.
1.2. Op basis van dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 14 juli 2011 de WW-uitkering van appellante met ingang van 4 februari 2008 herzien en over de periode van 4 februari 2008 tot en met 16 november 2008 een bedrag van € 12.335,60 bruto aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellante teruggevorderd. Bij de herziening heeft het Uwv rekening gehouden met het feit dat appellante voorafgaande aan het intreden van haar werkloosheid al gemiddeld 3,15 uur per week werkzaam was als zelfstandige en daarom alleen de zogenoemde meeruren gekort op haar WW-uitkering.
1.3. Bij brief van eveneens 14 juli 2011 heeft het Uwv appellante in kennis gesteld van zijn voornemen appellante een boete op te leggen van € 1.240,- wegens schending van de inlichtingenverplichting, omdat zij niet heeft gemeld dat zij werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige naast haar WW-uitkering. Appellante is in de gelegenheid gesteld te reageren op dit voornemen, van welke gelegenheid zij gebruik heeft gemaakt bij faxbrief van 27 juli 2011. Bij besluit van 28 juli 2011 heeft het Uwv zijn voornemen tot het opleggen van een boete van € 1.240,- geëffectueerd.
1.4. Appellante heeft, voor zover hier van belang, bezwaar gemaakt tegen de besluiten van
14 juli 2011 en 28 juli 2011. Bij besluit van 24 november 2011(bestreden besluit) heeft het Uwv deze bezwaren ongegrond verklaard.
2.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden de
WW-uitkering van appellante vanaf 4 februari 2008 herzien en de onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 4 februari 2008 tot en met 16 november 2008 van appellante teruggevorderd. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat het Uwv appellante terecht een boete van € 1.240,- heeft opgelegd.
3.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat het Uwv ten onrechte haar zienswijze op het voornemen tot het opleggen van een boete niet bij zijn besluit van
28 juli 2011 heeft betrokken. Appellante heeft erkend dat zij werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige naast haar WW-uitkering maar heeft benadrukt dat zij hieruit geen inkomsten heeft genoten. Zij acht het onredelijk en in strijd met het doel van de WW om in deze situatie haar uitkering te korten. Appellante vermag niet in te zien dat zij enerzijds naast haar dienstverband van 40 uur per week werkzaamheden mag verrichten als zelfstandige, maar dat anderzijds tijdens een WW-uitkering alle gewerkte uren als zelfstandige op haar uitkering worden gekort. Volgens appellante houdt het Uwv ten onrechte geen rekening met het feit dat het in de Chinese cultuur gebruikelijk is om lange werkdagen te maken. Het standpunt van het Uwv komt er volgens appellante op neer dat zij niet meer dan 40 uur per week mag werken. Daarmee handelt het Uwv in strijd met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor een weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar overwegingen 4, 7 en 10 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Appellante heeft er terecht over geklaagd dat het Uwv haar zienswijze op het voornemen tot het opleggen van een boete niet heeft betrokken bij zijn besluit van 28 juli 2011. Uit de gedingstukken blijkt dat het Uwv deze zienswijze wel heeft meegenomen bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Daarmee heeft het Uwv dit gebrek in de primaire besluitvorming hersteld. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
4.3.
Vaststaat dat appellante tijdens haar WW-uitkering werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige in haar onderneming [naam onderneming]. Appellante heeft van deze werkzaamheden geen opgave gedaan aan het Uwv. Appellante is op de haar toegezonden werkbriefjes uitdrukkelijk verzocht mee te delen of zij in de genoemde periode heeft gewerkt of loon heeft ontvangen. Zij heeft die vraag steeds ontkennend beantwoord. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de uren die zij aan activiteiten ten behoeve van haar onderneming heeft besteed moest melden aan het Uwv. Door van deze werkzaamheden geen opgave te doen heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden. Op grond van artikel 8, eerste lid, 20, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, alsmede 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW was het Uwv gehouden de WW-uitkering van appellante met terugwerkende kracht vanaf 4 februari 2008 te herzien over het aantal uren dat appellante werkzaam was als zelfstandige.
4.4.
Hetgeen appellante heeft aangevoerd bevat geen grond voor een ander oordeel. De in 4.3 genoemde wettelijke bepalingen schrijven dwingend voor dat het Uwv de WW-uitkering herziet over het aantal uren dat appellante haar hoedanigheid van werknemer verliest. Het feit dat appellante met haar werkzaamheden als zelfstandige geen inkomsten heeft genoten is daarbij niet van belang. Dat zou anders zijn geweest indien appellante gebruik had gemaakt van de startersregeling van artikel 35aa van de WW, maar dat is niet het geval geweest. De stelling van appellante dat zij vanuit de Chinese cultuur gewend is om lange werkdagen te maken treft evenmin doel. Uit vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld
CRvB 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB 2008:BE9932, volgt dat bij de vaststelling van het aantal uren waarin werkzaamheden als zelfstandige worden verricht alle gewerkte uren meetellen. Daarbij maakt het niet uit of die werkzaamheden (deels) in de avonduren of weekeinden wordt verricht. Geconcludeerd moet worden dat het Uwv bij zijn besluitvorming de genoemde wettelijke bepalingen juist heeft toegepast. Dat appellante vindt dat toepassing van deze wettelijke bepalingen onredelijk is en in strijd met het doel van de WW leidt niet tot een ander oordeel. De rechter moet, op grond van artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen, recht spreken volgens de wet en mag de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet beoordelen.
4.5.
Appellante wordt evenmin gevolgd in haar standpunt dat het Uwv er bij zijn besluitvorming vanuit is gegaan dat appellante niet meer dan 40 uur per week mag werken en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. Het Uwv heeft, met toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WW, de omvang van de werkloosheid van appellante vastgesteld op basis van het gemiddeld aantal gewerkte uren als werknemer in de
26
kalenderweken voorafgaande aan het intreden van het verlies aan arbeidsuren. Daarnaast heeft het Uwv rekening gehouden met 3,15 zogenoemde vrij te laten uren. Het staat appellante vrij om meer dan 43,15 uur per week te gaan werken als zelfstandige. Dat heeft wel tot gevolg dat zij geen recht meer heeft op WW-uitkering omdat zij dan niet meer verzekerd is voor die uren. Maar dat brengt niet mee dat sprake is van strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt.
4.6.
Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden de over de periode van 4 februari 2008 tot en met 16 november 2008 onverschuldigd betaalde
WW-uitkering van appellante terug te vorderen. Appellante heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de hoogte van de terugvordering. In hetgeen appellante heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
4.7.
Appellante valt met betrekking tot het niet nakomen van haar inlichtingenverplichting niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken. De opgelegde boete van
€ 1.240,- is evenredig aan de ernst van de overtreding en de mate waarin appellante deze kan worden verweten.
4.8.
Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.
Er bestaat geen grond voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) K.E. Haan

HD