Appellant ontving een WW-uitkering gebaseerd op een verlies van 40 arbeidsuren per week. Het Uwv herzag deze uitkering na onderzoek naar niet-gemelde werkzaamheden voor een brasserie en een café, en legde een terugvordering en boete op. De rechtbank wijzigde de terugvordering en boete op basis van de geloofwaardigheid van verklaringen over de omvang van de werkzaamheden.
In hoger beroep stelde appellant dat hij minder uren had gewerkt dan het Uwv aannam en dat hij in een emotionele toestand verkeerde bij zijn verklaring. Het Uwv hield vast aan de eerste verklaring en betwistte de betrouwbaarheid van de door appellant ingebrachte agenda’s. De Raad oordeelde dat appellant gehouden is aan zijn eerste ondertekende verklaring, omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij onjuist had verklaard.
Verder oordeelde de Raad dat appellant voorafgaand aan het verhoor niet was gewezen op zijn zwijgrecht, waardoor de verklaring van 7 maart 2011 niet gebruikt mocht worden voor de boeteoplegging. Op basis van overige gegevens werd een lagere boete opgelegd. De Raad vernietigde de rechtbankuitspraak voor een deel, stelde de terugvordering vast op € 2.586,81, legde een boete van € 52,- op, wees het verzoek tot schadevergoeding af en veroordeelde het Uwv in de proceskosten.