Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid en de berekening van het maatmanloon in het kader van zijn WGA-uitkering. De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen vanwege onvoldoende motivering van de arbeidskundige onderbouwing.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts, die rekening hield met de progressieve vermoeidheidsklachten en de functionele mogelijkhedenlijst adequaat heeft opgesteld. De Raad bevestigt dat appellant 20 uur per week kan werken met een aanvangstijd na 10.00 uur.
De Raad stelt vast dat de arbeidskundige onderbouwing met nadere toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd is en dat de functies gehandhaafd kunnen blijven. De vergoeding van niet opgenomen vakantiedagen wordt terecht niet als loonvormend beschouwd bij de maatmanloonberekening. De door appellant aangevoerde vergoedingen voor lunch en diner worden als te laat ingebracht beschouwd en niet behandeld.
De Raad verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit van 24 maart 2011 ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.