ECLI:NL:CRVB:2013:2588
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte vaststelling referteperiode dagloon Ziektewet door UWV
Appellante werkte via een uitzendbureau en later als maatschappelijk werker bij een werkgever en meldde zich ziek op 1 juli 2010. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe met een dagloon berekend over de referteperiode van 1 maart 2010 tot en met 30 juni 2010. Na bezwaar stelde het UWV de referteperiode bij tot 8 maart 2010 tot en met 30 juni 2010, wat leidde tot een hoger dagloon.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de referteperiode correct had vastgesteld. In hoger beroep voerde appellante aan dat het Besluit in strijd is met de wet Walvis en het gelijkheidsbeginsel, omdat de referteperiode niet zou moeten eindigen op de eerste ziektedag maar op de start van de uitkering. Het UWV verweerde zich met het standpunt dat artikel 15 ZW Pro dwingendrechtelijk is en de rechter niet mag afwijken.
De Raad oordeelde dat het UWV de referteperiode terecht heeft vastgesteld conform artikel 15, eerste lid, ZW en het Besluit. De Raad wees erop dat de rechter formele wetgeving niet mag toetsen aan de Grondwet of wetsgeschiedenis en dat het aan de wetgever is om eventuele onredelijke effecten te corrigeren. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de correcte vaststelling van de referteperiode door het UWV wordt bevestigd.