ECLI:NL:CRVB:2013:2594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering wegens levensloopverlof en onvoldoende arbeidsurenverlies
Appellant was sinds maart 2009 werkzaam voor een werkgever en maakte vanaf juli 2009 tot juli 2011 gebruik van levensloopverlof, waarbij hij feitelijk minder uren werkte en deels uit het levenslooptegoed werd betaald. Na een wijziging van zijn arbeidsduur in juli 2011 vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen wegens onvoldoende arbeidsurenverlies.
De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de periode van levensloopverlof als onbetaald verlof werd aangemerkt en de niet-gewerkte uren niet konden worden gelijkgesteld met gewerkte uren. De rechtbank stelde vast dat appellant in de relevante periode gemiddeld 25,49 uur per week werkte, waardoor het vereiste verlies van minimaal vijf arbeidsuren niet was bereikt.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de levensloopregeling niet als onbetaald verlof mocht worden beschouwd en dat het vertrouwensbeginsel ten onrechte werd verworpen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de levensloopverlofperiode inderdaad onbetaald verlof is in de zin van de WW, met een maximale periode van 78 weken die buiten beschouwing mag blijven bij de berekening van arbeidsurenverlies.
De Raad bevestigde dat de niet-gewerkte uren niet gelijkgesteld kunnen worden met gewerkte uren en dat appellant geen recht heeft op een WW-uitkering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat er geen ondubbelzinnige toezeggingen waren en de brief van het Juridisch Loket niet op de feitelijke situatie van appellant sloot. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsurenverlies en het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen.