ECLI:NL:CRVB:2013:2647
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding leidt tot intrekking en terugvordering bijstand
Appellante ontving bijstand en inkomensvoorziening als alleenstaande ouder, terwijl zij samen met haar partner en twee kinderen een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit aan het college te melden. Het college trok daarom de bijstand en inkomensvoorziening in en vorderde deze terug.
De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onvoldoende motivering van het college bij afwijking van het bezwaaradvies, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en haar partner hun hoofdverblijf gezamenlijk hadden op het adres van appellante, ondanks hun afzonderlijke inschrijvingen.
Bewijs bestond uit verklaringen van buren, bewoners van het andere adres van de partner, huisbezoek en verhoren. De Raad verwierp de stellingen van appellante over onjuiste interpretatie en te kleine woning. Geconcludeerd werd dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB en WIJ, waardoor het beroep van appellante faalt en de intrekking en terugvordering terecht zijn.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde, waardoor de intrekking en terugvordering van bijstand terecht zijn.