ECLI:NL:CRVB:2013:2749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplichting vestiging krediethypotheek bij bijstand in geldlening
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college kende haar bijstand toe, deels in de vorm van een geldlening, vanwege het vermogen dat zij in haar eigen woning had. Daarbij legde het college de verplichting op om een krediethypotheek te vestigen als zekerheid voor rente- en aflossingsverplichtingen.
Appellante stelde in hoger beroep dat deze verplichting ten onrechte was opgelegd, omdat haar vermogen en de vrijlatingen volgens haar geen aanleiding gaven voor een geldlening en hypotheek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat volgens artikel 50, tweede lid, WWB, bijstand in de vorm van een geldlening kan worden verleend indien het vermogen gebonden in de woning hoger is dan het vrijlatingsbedrag genoemd in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, WWB. De vrijlating onder onderdeel b is niet relevant voor deze bepaling. Het college had dus terecht de bijstand deels als geldlening verleend en de hypotheekverplichting opgelegd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college bevoegd was de verplichting tot vestiging van een krediethypotheek op te leggen bij bijstand in de vorm van een geldlening.