ECLI:NL:CRVB:2013:2752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WIJ-inkomensvoorziening wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellant vroeg op 13 december 2010 een werkleeraanbod aan op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) en gaf aan tijdelijk bij zijn zuster te wonen en een kamer te huren. Het college weigerde de inkomensvoorziening omdat zij meende dat appellant en zijn zuster een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld zonder inzicht in het gezamenlijke inkomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat niet was voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg, een vereiste voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelde dat hoewel zij hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, er geen sprake was van financiële verstrengeling of andere feiten die wezen op wederzijdse zorg van betekenis.
De door het college aangevoerde overeenkomst gezamenlijke woonruimte en het huisbezoek leverden onvoldoende bewijs op voor wederzijdse zorg. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens ontbreken van gezamenlijke huishouding.